Laat mij maar fietsen

Na twaalf jaar had ik het fenomeen 'schaatsen' flink geromantiseerd. Toen ik in het laatste mooie schaatsweekend eindelijk mijn noren onderbond, was mijn eerste reactie vooral erg basaal. Wiebelend op mijn schaatsen en zwaaiend met mijn armen had ik het na tien slagen wel weer bekeken. 'Lief, ik vind dit niks, ik wil niet meer, ik vind er niets aan.' Maar, stoppen was geen optie. Dus al wiebelend en zwaaiend maakte ik voorzichtig kleine slagen en schaatste ik achter mijn lief aan.

Hopeloos en onnozel voelde ik me. Het was weer net als vroeger, op de ijsbaan, waar ik ook altijd moest oppassen dat ik niet onder de voet geschaatst werd. Ik wist opeens weer waarom ik zo'n hekel had aan schoolschaatsen. Geef mij maar de sloot tegenover mijn ouderlijk huis. Waar niemand anders dan mijn ouders en zusjes mijn gestuntel konden zien. En waar ik niemand echt in de weg schaatste. Waar ik soms best een stukje achter een stoel mocht schaatsen, omdat mijn jongste zusje die toch niet meer nodig had.

De dag na mijn schaatsavontuur werd het +4. En de dag er na ook. Mijn schaatsen liggen weer klaar voor een flinke hoeveelheid vaseline. De kranten van 1996 laat ik in de doos zitten, met een krant van 2009 er bij. Dan kan ik weer glimlachen als ik in 2021 mijn schaatsen weer van zolder haal. 'Twaalf jaar geleden... Wat vliegt de tijd!' Om dan na drie slagen de stoel van mijn zoon of dochter over te nemen en weemoedig toe te kijken hoe mijn kids wél in hoog tempo de slag te pakken krijgen.

Ach. Het is ook wel prima zo. Laat mij maar fietsen.